Categorie Teruglezen

Twee parallelle werelden

 

Als aan mij als coördinator van de Voedselbank gevraagd wordt iets te zeggen over onze huidige samenleving, dan zie ik vanuit mijn perspectief twee werkelijkheden; het lijken wel twee parallelle werelden.

In de ene wereld zie ik wekelijks 500 huishoudens aankloppen voor een voedselpakket. Een groot aantal van onze cliënten – niet iedereen – heeft schulden; sommigen staan duizenden euro’s in het rood. Die laatsten hebben professionele hulp nodig om hun leven weer op de rit te krijgen. Maar er is ook een grote categorie die tegen een kleine vordering aankijken. Met relatief geringe bedragen zou hun dagelijks leven er behoorlijk zonniger uitzien. Neem die vrouw die tegen een vordering van 50 euro aanhikt. Omdat de cliënte dat bedrag niet in één keer op tafel kan leggen, treft ze een schikking: ze gaat 5 maanden achtereen een tientje aflossen en ondertussen moet ze nóg krapper leven dat ze al deed. Ze moet alert blijven, want een verwaarloosde vordering van een tientje kan door de kosten van een deurwaarder en een rechtbank op termijn oplopen tot 1000 euro. Dit is de ene wereld – waarin een organisatie als Schuldhulpmaatje waardevol werk verricht, om te voorkomen dat mensen het spoor bijster raken in de schuldhulpverlening.

In de ándere wereld – de parallelle werkelijkheid - ontmoet ik vertegenwoordigers van kerken. Ze zetten zich in; er zijn maaltijdprojecten, er gaat geld naar armoedebestrijding, er is stille hulp aan stadgenoten. Ik kom over de vloer bij christelijke gemeenten die hun zaakjes goed op orde hebben. Maar soms ook té goed. Dan hebben de bankrekeningen bedragen van 4 of 5 cijfers. Buffers, noemen ze die. Soms hanteren kerkgenootschappen quota voor de omvang van die reserves. Maar ik kom kerken tegen die veel meer diaconaal oppotten dat de norm die is afgesproken. Alsof ze zeggen willen: vertrouwen op God is goed, maar een gevulde bankrekening is beter.

Sinds 2003 kennen we in Nederland Voedselbanken. Anno 2019 vind je ze overal in ons land. Omdat er overal arme mensen zijn. Ze worden arm genoemd als ze minder te besteden hebben dan de norm die vanuit de overheidsinstanties is gesteld. Je kunt een waslijst oorzaken opsommen waardoor ze in die situatie zijn verzeild geraakt: onkunde over de ingewikkelde samenleving, bureaucratie, een onbalans tussen hoge vaste lasten en variabele inkomsten. Soms gaat het ook gewoon om stomme fouten van de cliënten. Onhandig gedrag of onkunde. Als grootste gemene deler onder onze klanten zie ik dat ze niet of nauwelijks beschikken over een netwerk waar ze een beroep op kunnen doen – als gevolg van echtscheidingen, familieruzies, verslaving of vlucht vanuit een ver land.

Wat zou het mooi zijn als daar weer in zouden kunnen voorzien! Maar in de praktijk merk ik dat de brug naar elkaar – de brug over de kloof tussen arm en rijk - er vaak niet is.

In functies zoals de mijne komen die twee werelden bij elkaar. Je hoort de één praten over de ander. Kerken of diaconieën hebben hun vragen en oordelen klaar:

  • Ze moeten leren om beter met hun spullen om te gaan! We gaan die kapotte apparatuur niet vervangen, want dan leren ze er niks van.
  • Kunnen ze dat niet zelf betalen van het vakantiegeld?
  • Ik ga zelf ook niet voor elk pijntje naar de dokter… Hoezo zoveel betalen?
  • Je moet asielzoekers niet te veel pamperen….
  • “Mijn wasmachine draait al 10 jaar.“ Hoezo moet een diaconie nu een andere betalen?
  • Waarom werkt die meneer niet?
  • Als ze elke week 5 euro op zij leggen……

Het evangelie leert mij dat ik niet moet oordelen over anderen dat wie zonder zonde is de eerste steen mag werpen. dat we hebben te zorgen voor vreemdelingen, dat weduwen en wezen mogen vertrouwen op steun, dat ik de ander moet behandelen zoals ik zelf behandeld zou willen worden dat ik bovenal mijn naaste moet liefhebben omdat God van mij houdt

Het evangelie leert me ook dat ik mijn vertrouwen mag stellen op God, die zorgt voor de vogels in de lucht. Ze zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren. Gaan wij ze niet verre te boven?

Laten we het diaconale geld meer gebruiken voor mensen en in nood.

Wat dat betreft heb ik een wonderlijke baan: ik zal de dag toejuichen waarop ik de laatste cliënt kan uitzwaaien.

Cieka Galenkamp,

Coördinator Voedselbank

Bijdrage Preekfestival 2019