Categorie Teruglezen

Hier sta ik, kan het ook anders?

 

Hoe ziet ons werk als predikant eruit? Als we voor onszelf de balans opmaken, zijn we dan blij en dankbaar dat we dit werk mogen doen? Of moeten we eerlijk zeggen: ik had er iets anders van verwacht? We staan ergens voor, maar hoe geven we er vorm aan? Kan het ook anders?

Hoe ben ik predikant? Om die vraag gaat het in dit uur. Kom ik toe aan mijn corebusiness? Nu zal ieder zijn/ haar eigen accenten hebben, maar in ieder geval zullen we het erover eens zijn dat prediking daartoe behoort. Maar ook andere onderdelen van ons werk: pastoraat, al zal ieder dat anders invullen en vorming en toerusting (onze onderwijstaak): catechese, voor zover er catechisanten zijn, een kring rond een open Bijbel, een leerhuis.

Als het hier bij bleef, dan hadden we prachtig werk, waar je je hele hart in kunt leggen. Maar is zoveel wat op ons afkomt. Er bestaat een vergadercircuit dat moeilijk doorbroken kan worden, veel tijd opeist en ons bij tijden leegzuigt. Ik weet niet of bij jullie wel eens de vraag is opgekomen: is dit nu predikant zijn? Is dit het werk waarvan ik dacht dat ik het met hart en ziel zou doen? Kwam ik maar meer toe aan dat wat ik als mijn roeping ervaar?

Bij wie komt nooit de vraag op: hoe houd ik het vol? Omdat… Omdat er, zegt een van jullie, naar mijn beleving een te veel aan activiteiten is waar ik bij betrokken ben.

Of: de sfeer binnen de kerkenraad valt me tegen of binnen de gemeente. Hoe overleef ik? Dat is waarschijnlijk te negatief uitgedrukt. Het gaat meer om de vraag: hoe blijf ik vreugde, plezier houden in mijn werk, zonder geestelijk uitgeput te raken. Ik weet waar ik voor sta, maar kan het ook anders?

Ik wil vanmiddag twee dingen met jullie delen. Allereerst een persoonlijk verhaal, niet om te laten zien hoe het moet, maar wel om met elkaar te ontdekken hoe het kan en ook hoe het niet moet. Mogelijk roept het herkenning op en kunnen we daar wat over doorspreken.

In de tweede plaats wil ik iets zeggen over de vraag wat nu eigenlijk onze roeping is. Ik deel met jullie een paar gedachten uit het nog steeds prachtige boek van de vorig jaar overleden auteur Eugene Peterson, in zijn boek Dragende Delen.

Ik begin met mijn persoonlijke zoektocht: hoe doe je het? Waar liggen de valkuilen en hoe kan je die vermijden?

In oktober 1980 werd ik als predikant bevestigd in mijn eerste gemeente Waardenburg-Neerijen, 25 jaar jong, als opvolger van een predikant die heel populair was, zomaar bij veel mensen binnenliep, bezoeken aflegde, hier en daar een pan opende en er een stukje vlees uithaalde. Ik vertel het niet om iets negatiefs over hem te zeggen, maar om aan te geven dat ik het best lastig vond een geliefd predikant op te volgen.

De gemeente telde bijna 1300 zielen. Te groot, zeg ik nu, voor een kandidaat. Daarbij kwam dat ik op mijn maandelijkse vrije zondag na twee keer per zondag moest voorgaan. Meestal begon ik er vrij laat mee. Ik trok er de hele vrijdag en zaterdag voor uit. Woensdag was onze vrije dag, die mijn vrouw streng bewaakte. Behalve het lesgeven op een basisschool en een seniorenmiddag 1 keer per maand.

Ik dacht dat ik mijn preken moest maken onder druk. Dat er anders niets uit mijn pen tevoorschijn zou komen. Wel merkte ik een enkele keer dat als ik bij voorbeeld geen stem had en gedwongen thuis moest blijven, dat ik ook wel eerder in de week een preek kon maken. Natuurlijk zal ik me al wel eerder met de exegese hebben bezig gehouden, maar dit was mijn werkritme.

Later ging ik vroeger aan de slag. In Kampen, met toen nog twee universiteiten en twee grote bibliotheken, begon ik eerder met in ieder geval de exegese. Ik moest nu meestal 1 preek maken. Maar nog steeds was de vrijdag de dag waarop de preek geboren moest worden. Dat is lang zo gebleven. De voorbereidingen al eerder in de week, maar de vrijdag als schrijfdag. Op zich is daar natuurlijk niets mis mee.

Pas in Apeldoorn is daar echt verandering in gekomen. Het feit dat we een jaar daar niet gewoond hebben, heeft me erg geholpen mijn tijd heel anders in te delen. Mijn tijd veel meer te klusteren.

Had ik op de maandagavond geen activiteit dan ging ik pas dinsdagmiddag naar Apeldoorn en maakte op de maandag en dinsdag morgen mijn preek. Dinsdagmiddag, de hele middag leg ik pastorale bezoeken af. De woensdag was en is mijn studiedag. Donderdag reserveer ik opnieuw voor pastoraat.

Op de vrijdag verzorg ik de kopij voor de Weekbrief, besteed ik aan catechesevoorbereiding, en rond ik de voorbereidingen voor de dienst af: de orde van dienst, het maken van een preekschets. In de wintermaanden geef ik in de avonduren 2 of 3 uur catechese. (Dat is niet ideaal, maar dat heeft te maken met het feit dat de gemeente een streekgemeente is. Om te voorkomen dat gemeenteleden vaak moeten rijden wordt er club en catechese op één avond gehouden.)

De vaste structuur van de week helpt me enorm om veel minder druk te ervaren dan ik ooit ervaren heb. Ik vind het persoonlijk heerlijk om al op de dinsdag mijn preek in concept klaar te hebben. Volledig uitgeschreven, terwijl ik daar de laatste maanden aan het eind van de week een schets aan toevoeg volgens het IKEA-model (zie Paulien Vervoorn: Geloofwaardig spreken). Dat helpt me om de structuur van de preek te checken.

Wat zijn mijn huidige valkuilen? Het lijkt alsof ik het nu allemaal aardig onder controle heb, mijn tijd goed weet in te delen. Mar als de vrijdagavond gereserveerd is voor catechese, betekent dit dat er nog vier avonden overblijven. Vergaderingmoderamen, kerkenraadsvergadering, een paar jaar lid van de A.K. lid van het moderamen A.K., doopzitting, bijbelkring, commissies, kraambezoeken, bezoeken bij jubilea. De avonden vullen zich heel gemakkelijk. Ik was altijd voorstander van niet meer dan drie avonden kerkenwerk. Maar het worden er als je niet oppast zomaar vijf en heel gemakkelijk vier avonden.

Dat vind ik nog steeds een worsteling. Nu mijn collega vertrokken is en er een vacature is, is het gemakkelijker om eenvoudigde commissievergaderingen waar ik niet perse bij hoef te zijn af te zeggen. Dat geeft me wat meer lucht.

Dit is de wat meer technische kant van mijn verhaal: hoe geef ik de werkweek structuur? Het is goed om niet alleen per week te leven, maar verder naar de toekomst te kijken en dan te zien welke avonden er noodzakelijkerwijs gevuld zullen worden, om vervolgens te bekijken wat door een ander gedaan kan worden. Maar ik vind het nog steeds gemakkelijker gezegd dan gedaan. Er zijn gemeenten waar dit probleem veel minder speelt, maar er zijn ook gemeenten die echt lijden onder de ziekte van te veel commissies. Verdeling van taken blijft noodzakelijk.

Maar de vraag: hoe doe ik het anders?, laat zich niet alleen beantwoorden door een verhaal over timemanagement. Het gaat om hoe wij als pastor leven coram Deo voor het aangezicht van God.

Waar zijn wij toe geroepen? Eugene Peterson pleit voor ascetische theologie, waarbij hij opmerkt dat ascese moet ontdaan worden van zijn negatieve connotatie. Het is een term uit de wereld van de sport, de atletiek en betekende eenvoudig: je oefenen om tot buitengewone prestaties te komen.

Hij ziet drie aandachtsvelden voor een pastor: gebed, het lezen van de Schrift en het geven van geestelijke begeleiding. Daar zijn we toe geroepen. Daar heeft de gemeente, toen we bevestigd werden, in feite om gevraagd. Toen werd onuitgesproken gezegd (en nu volgt even een lang, maar belangrijk citaat):

“Wij willen dat jij ons voorleeft wat wij geloven over Gd en over het Koninkrijk en over het evangelie. Wij willen dat je erover spreekt. Wij geloven dat de Heilige geest onder ons is en in ons woont. Wij geloven dat Hij schept en ons tot vernieuwde schepsels maakt. Wij geloven dat God geen Toeschouwer is die beurtelings geamuseerd of gealarmeerd toekijk bij wat er in de wereld en in deze tijd gebeurt. Wij geloven dat Hij er deel aan heeft. Wij geloven het, maar we zien het niet. Wij hebben hulp nodig om ons geloof scherp, helder en gaaf te houden.

We vertrouwen onszelf niet, onze emoties verleiden ons al te gemakkelijk tot ontrouw. We weten dat er sterke invloeden van buitenaf zijn, die erop uit zijn ons geloof en onze daden van geloof uit te hollen of te vernietigen. En we willen dat jij ons helpt: wees onze voorganger, een dienaar van het Woord en Sacrament, voor ons allemaal, juist nu we midden in deze wereld staan.

Dien ons, door Woord en Sacrament, in welke fase van ons leven wij ons ook bevinden – in ons werken en spelen, in ons omgaan met onze kinderen en met onze ouders. Bij leven en sterven, wanneer we blij of bedroefd zijn, op dagen waarop de zon stralend opgaat en op grauwe en druilerige dagen. Dit is niet de enige taak die er is wanneer we het hebben over geloven, maar het is jouw taak. We vinden wel andere mensen om al die andere belangrijke en essentiële dingen te doen. Maar dit is jouw taak: het Woord en het Sacrament” (Dragende delen, p. 25).

Voor ons is het belangrijk om de aandacht op God gericht te houden. Het grote gevaar is dat we heel veel dingen doen, maar de aandacht op God verliezen. Dat is onze eigenlijke corebusiness. De aandacht op God gericht houden en mensen helpen om de aandacht op God gericht te houden. Dat kan alleen als we zelf met God leven, met Hem wandelen.

Een mooi jaarprogramma aanbieden is veel gemakkelijker dan de aandacht op God gericht te houden. Een mooi jaarprogramma aanbieden ligt ons wel. Je kan er plezier aan beleven, energie aan ontlenen. Maar het grote gevaar dat ons elke dag omringt is precies dit: de aandacht voor en de gerichtheid op God verliezen. Dat is een geestelijke houding die meer is dan je richten op je kerntaken en je niet te veel laten meenemen door andere activiteiten.

Ook die goede dingen, de dingen die je belangrijk vindt kan je nog doen vanuit je vaardigheden. Peterson wijst erop dat als de traditie stemrecht zou krijgen en mee zou mogen spreken ten aanzien van de vraag wat voor een predikant/pastor echt belangrijk is, er een overweldigende meerderheid zou zeggen: gebed. Gebed als gerichtheid op God.

De vraag is in hoeverre wij echt rekening houden met God. Is Hij in ons leven aanwezig? Zoeken wij Zijn aangezicht, of spreken wij veel over God, als goede theologen, zonder ons te oefenen in de stille omgang met God. Een omgang die niet altijd spectaculair is, die niet altijd veel oplevert, die ons niet altijd vult met diepte vreugde en vrede. Het is een geestelijke discipline, een oefening in godsvrucht, die zijn vruchten afwerpt, maar die tijdens de training ook veel van ons vergt, zonder dat we altijd direct de vrucht ervan plukken. Maar wat we leren is: geloven in God.

Dat Hij er is, dat hij er toe doet, dat Hij geen Toeschouwer is die geamuseerd of gealarmeerd toekijkt. Soms kost het moeite je te concentreren om te bidden, de Bijbel te lezen en je door God te laten aanspreken. Wat mij helpt, ik maak er soms gebruik van (ik probeer met betrekking tot mijn persoonlijke stille tijd af te wisselen), is het opschrijven van een gebed. Het uitschrijven van bijbelteksten, het memoriseren van een woord uit de Bijbel. Arnold Huijgen, in zijn boek, Lezen en laten lezen schrijft er prachtige dingen over.

“In het geloof mediteren betekent de tekst in de mond nemen en uitspreken. Dat gaat via het hart. Door de oude, bekende woorden mij op deze manier uitsprekend toe te eigenen en toe-eigenend uit te spreken vind ik mijn leven in Gods Woord en wordt Gods woord mijn leven” (Lezen en laten lezen, p. 75).

Verderop zegt hij over mediteren ‘dag en nacht’, Psalm 1: “De bedoeling van de psalmdichter zal niet zijn dat we elke minuut van de dag aan het mediteren zijn. Maar wat houdt het dan wel in? Hier kan gedacht worden aan het verschil tussen chronos en kairos. Het gaat er niet om dat er elke minuut (kloktijd, chronos) wordt gemediteerd, maar dat door meditatie de hele tijd (kairos) wordt geheiligd. De dag is niet alleen maar werkdag (opstaan, ontbijt, kantoor, maaltijd, goed boek op de bank). Heel de dag blijkt Gods tijd te zijn, mijn tijd is zijn tijd, want mijn tijden zijn in zijn hand (Ps. 31:16). De tekst waarover je mediteerde, gaat mee de dag in” (Huijgen, p.83).

Hier sta ik, kan het ook anders?
Twee dingen zijn van belang. Prioriteiten stellen, je agenda bewaken, delegeren, leren nee zeggen. Op tijd aan je preek beginnen, op de goede manier met je tijd leren omgaan. Noem het timemanagement. Dat is het eerste. Dat is al ingewikkeld genoeg, maar dat is te leren. Hoe je het doet is afhankelijk van wie je bent en uiteindelijk van wat je wil.

Het tweede waar we bij stil hebben gestaan is moeilijker.

Dat vraagt niet alleen een bepaalde instelling, maar het betekent ook oefenen, bloed, zweet en tranen, volharding, niet verslappen. Het betekent een dagelijkse bekering, bekering van ons ongeloof. Ik merk dat ik dikwijls meer in mezelf geloof dan in God. Daarmee bedoel ik eenvoudig dit: in de praktijk van mijn werk, met alle aandacht voor wat ik doe, geef ik aan dat ik in feite meer geloof in mezelf dan in God.

Ik heb nodig dat de Here God mijn verstand en hart verlicht, zodat ik de hoop van Zijn roeping ken, de heerlijkerijkdom van de erfenis en de allesovertreffende grootheid van de kracht die in ons werkt (Ef. 1:18 en 19). Geloof ik echt dat God geen Toeschouwer is? In theorie zeg ik meteen: “ja, dat geloof ik”. Maar ik heb er de Heilige Geest voor nodig om dat te zien, me eraan op te trekken, om mij te laten geloven dat Hij echt betrokken en bewogen is.

Ik heb het dagelijkse gebed van Paulus uit Efeze 3, dat Christus door het geloof in mijn hart woont. Dat ik in de liefde gefundeerd en geworteld ben. Het gebed dat God mijn karakter vormt, mijn geloof versterkt, mij laat zien dat Hij de Levende is en mij helpt om tijd te maken voor een wandeling.

Peterson waarschuwt ons pastores voor onze specifieke verleiding: de zonde van het omkeren van ritmes. In plaats van eerst genade en dan werken, maken wij ervan: eerst werken, dan genade. In dit verband pleit hij voor het houden van een sabbat (een domineessabbat). “Hoe kunnen we ertoe komen om eens een hele dag niets te doen?

Daarom is het zo belangrijk om te zien dat ons bevolen is om de sabbat te houden, dat het veel meer is dan een goede suggestie. Wij tollen steeds sneller rond in de zichzelf in stand houdende cirkel van maar bezig zijn, genade-loos en on-gelovig, waarbij we alleen onze goede bedoelingen scherp voor ogen hebben.”

Rust, uit genade leven, wandelen met God, gerichtheid op God beoefenen en bij anderen aanwakkeren. Dat is onze eerste roeping. Dan holt ons ambt ons niet uit, maar is het een geweldige verrijking. Dan hoeven we niet op te branden, maar is er wel een brandend en vurig verlangen om God te dienen. Deze God, groot, vol majesteit, goedheid, trouw en genade.

Zo wensen we elkaar vreugde en inspiratie toe in het uitoefenen van ons ambt.