Categorie Teruglezen

Vijf prangende vragen uit de literatuur, ter beantwoording uitgereikt aan predikanten, met het oog op het nieuwe preekseizoen

 

Workshopleider: dr. Tjerk de Reus

Plaats: Xaveriuskerk, Amersfoort

Tijd: 16.30 - 17.30 uur

 

1. De zin van het leven

Wat kan er tegen het vanzelfsprekende atheïsme ingebracht worden? Of betekent het helemaal niets voor onze menselijkheid, als God een overbodige hypethese is?

 

2. Getroost, gezien, gezegend

Is er een antwoord op het zo verpletterende besef van de onverschilligheid van ons immense universum? Is er troost, oog in oog met de eeuwige stilte van de eindeloze ruimten (Pascal)?

 

3. Spiritualisering, virtualisering, gnostiek

Hoe kan ik landen in de tastbare, concrete werkelijkheid? Hoe word ik verlost uit de netten van de virtualiteit? Welke belofte wacht mij daar, in het ‘vlees’ - immers de ‘spil van de redding’ (Tertullianus)?

 

4. Ziel, zonde, schuld & desoriëntatie

Laat mij contact maken met mijn meest eigen werkelijkheid - niet die van het geestelijke ideaal maar die van de ziel. Leer mij me te verhouden tot wat zich roert in mijn binnenste, aan verlangen, schuld, angst en schaamte. Wat betekenen woorden als redding en troost in deze dimensie van mijn bestaan?

 

5. Ritueel, symbool, traditie

Leer mij deelnemen aan de heilzame werkelijkheid van ritueel en symbool, uit de even brede als rijke christelijke traditie, als tekenen en verwijzers naar een transcendente en tegelijk nabije werkelijkheid.

 

Citaten die ten grondslag liggen aan de ‘vijf vragen’

1. De zin van het leven

Marente de Moor, Foon (2018)

“De natuur van Basjkortostan, ongerept, hard en in alles onze meerdere, liet elke sentimentaliteit onbeantwoord. Intussen begon ik sterk te betwijfelen dat wij, slappe, blote tweebenigen, het hoogtepunt vormden van de evolutie, zoals ons was wijsgemaakt. Met dat vooruitgangsdenken was de ellende begonnen. Want waarom zou je betreuren dat de oceanen werden leeggevist, bossen weggekapt en dieren uitgeroeid, als het beste nog in het verschiet lag? Het idee dat als er geen Schepper was, er maar beter zo snel mogelijk eentje moest komen, kwam vaak bij me op, maar vervulde mijn jonge, socialistische ziel met dezelfde schaamte als mijn

gedachten aan Lev. Basjkortostan had me opgezadeld met alles wat vadertje Lenin had verboden: God, seks en de raadsels eromheen.” (29-30)

“Wees blij dat de natuur ons nog voor een raadsel stelt. Het is een doodvermoeiende gedachte dat alles in onze macht ligt. Nu de mens elke cel van zijn bestaan heeft blootgelegd, kan hij wel wat romantiek gebruiken. Een sterk verhaal, ook goed. Als je niet op elkaar uitgekeken wilt raken moet je elkaar regelmatig sterke verhalen vertellen, dat weet elke honderdjarige.” (105)

“Westerse toeristen bewonderen beelden van Lenin zoals ze in andere landen kathedralen bewonderen. Het is ze om de spanning te doen, de melancholie van een gefaald geloof. Ze herkennen het, vergis je niet, thuis hebben ze namelijk allang niets meer om zich aan vast te klampen.” (122)

“Is er een God? Verbeelden we Hem ons, of gaat Hij onze verbeelding te boven? Ik vertel hem wat Lydia heeft gezegd, dat je niet terug kunt naar het geloof, niet met de kennis van nu. ‘Het kostte ons destijds niet de geringste moeite om atheïstisch te worden,’ zeg ik. ‘Maar er zal veel kunst‑ en vliegwerk nodig zijn om het proces om te keren.’

Hij gebaart naar de beregende voorruit.

‘Is dit nog niet genoeg kunst‑ en vliegwerk? De lucht, de regen, de wolken, kijk toch eens! Uiteindelijk zijn er maar weinig echte atheïsten, Nadja. Vroeger, in Leningrad, was het museum van het atheïsme in de Kazan-kathedraal de beste plek om iets over het geloof te weten te komen. Nu hebben ze het omgedoopt in het museum van religie, maar de collectie is onveranderd gebleven. Omdat ze simpelweg niets atheïstisch hadden om tentoon te stellen. Omdat atheïsten niks te bieden hebben behalve datgene waar ze zich tegen verzetten: de verhalen en dromen van anderen.” (190-192)

Pope: “(…) neem maar van mij aan dat je nog terug kunt naar het geloof. Ook als je denkt dat je er nog nooit bent geweest.” (196)

 

2. Getroost, gezien, gezegend

Robert Anker, Schuim (2014)

Biedt kunst de ware troost? Dat is een belangrijke vraag in deze roman. Muziek is als schuim, weet een van de personages: “(…) je kunt er prachtige bellen van blazen, iriserend, doorzichtig en pats, dan zijn ze weg.”

‘Kan muziek iemand redden? Doe niet zo gek, joh.’

‘Geestelijk misschien. Ik denk wel dat muziek iemand, nou ja, redden is te sterk, hoewel...’

‘Dat noemen we “troosten”.’

‘Ja, maar ik bedoel nog iets anders. Zegenen.’

‘Wat is dat nou voor reli-gedoe?’

‘Nou ja, muziek maakt toch contact met iets wat meer is, groter, hoger...’

‘Kom, we gaan.’

‘Ik kom natuurlijk wel weer eens terug, met verlof. Mag ik je dan opzoeken? Als het geboren is. Ik stuur je mijn e-mailadres. Goed?’

‘W-wil je het zegenen? Dat kunnen jullie toch?’

‘Nou ja, we dóén het.’ Ze legt beide handen even op Lisettes buik en knikt. ‘Ik zal het zegenen.’ Ze loopt weer naar de deur, draait zich nog even om, glimlacht vaag en verdwijnt.

Lees evt: ‘Ervaringen van Gods afwezigheid in de hedendaagse letteren’, Tjerk de Reus; in: Radix, 2013 (zie www.tjerkdereus.nl onder essays)

 

3. Spiritualisering, virtualisering, gnostiek

Maxim Februari, Klont (2017)

“En die data, die bestonden weliswaar ook uit materie. Maar nu was er, anders dan in de heilige cultus van de biologie en de fysica, niemand die daaraan betekenis gaf. Gegevens waren precies dat wat ze waren: gegevens. Afgeleiden van de werkelijkheid. Abstracties, gedefinieerd door naamloze ambtenaren en schimmige werktuigkundigen en daarna overgelaten aan machines. Gereproduceerd door machines. Verzameld door machines. Bestudeerd door machines. Er tekenden zich patronen in af. En in vergelijking met deze afgeleide benadering van het bestaan klonk het oude verhaal van de biologie als een roman. Algauw was ik ervan overtuigd dat de biologie en de natuurkunde in de nabije toekomst het lot van die roman zouden delen. De natuur- en neurowetenschappen zouden binnen afzienbare tijd even overbodig zijn geworden als de literatuur.” (69)

“‘De klont eet de wereld op. En de politiek. En de moraal’, zei Bodo. Hij schoof zijn mapje met papieren heen en weer en zocht naar woorden. Er zou straks niets meer te kiezen zijn, zei hij. Zodra gegevens over gedrag het voor het zeggen kregen, werd de mens uit het centrum van de besluitvorming verdreven. Na Copernicus, Darwin en Freud de vierde grote krenking der mensheid. De mens niet langer het centrum van de kosmos, niet de kroon op de schepping, niet de baas over zijn gedachten en nu ook al geen stem meer die richting geeft aan de maatschappij.’” (166)

“Wat is de klont eigenlijk?’ Je kon horen dat ze, terwijl ze de vraag stelde, nadacht.

‘Het is een metafoor. Voor een wereld waarin we onze keuzes kwijt zijn.’

Of eigenlijk geen metafoor, maar een werkelijk bestaand samenspel van machten. Een wereldbeeld dat meer ruimte bood aan mededelingen over het bestaan dan aan het bestaan zelf en dat dwingend regeerde. ‘Ik maak er een themanummer over.’

‘Waarover?’ Ze was nog steeds in gedachten.

‘Over het vreemde verschijnsel dat mensen nieuwe technologieën het liefst zien als vormen van overmacht. Acts of God. Zodat ze geen verantwoordelijkheid hoeven te nemen voor de ideologie die eraan ten grondslag ligt.’

‘En van jou moet dat natuurlijk wel.’

‘Hè? Ja!’ Hij fronste. Ja, natuurlijk.

‘Altijd verantwoordelijkheid nemen. Altijd verstandig zijn.

Ook als de wereld een chaos is.’”(198)

“Ik ben een dolende man in een dolende wereld. Is dat niet de tekst van een liedje? Hij ziet hoe Colette met vaste hand soep in de kommen schept.” (268)

“Natuurlijk is het uiteindelijk Colette, de volwassene, de wijze, de wonderdokter, die het eerst in beweging komt, die opstaat van tafel en rustig naar hem toe loopt. ‘Kom nou, lieverd’, zegt ze. Dat zegt ze, ‘lieverd’, en ze zegt ook nog ‘de soep wordt koud’.” (270)

Leestip: Philip Lee, Against the Protestant Gnostics 1993; Hans Jonas, The Gnostic Religion 1958.

 

4. Ziel, zonde, schuld & desoriëntatie

Jeroen Brouwers, Datumloze dagen (2007)

De ik-figuur in deze roman voelt ,,dat de dingen aan het afbrokkelen waren (…) dat op afbrokkeling vergruizing volgt, waarna de wind alle stof op zijn schouders neemt en wegvoert. Waarheen? Naar waar niets is.”

Het leven gaat pijlsnel voorbij, piekert hij: ,,(…) voor je het goed beseft is het al door overjagende wolken meegevoerd, met herinnering en al, alles eindigt altijd met teleurstelling, waarde zoon. Is er troost?”

,,De honderden dingen in je leven die je verkeerd hebt gedaan. (…)

Eigenlijk bedoel ik niet eens de pijnlijke herinneringen zelf, maar de schaamte erover die ze oproepen. Hoe ouder je wordt, hoe meer schaamte.”

,,Hebben we elkaar iets te vertellen dan, vroeg hij. Ik weet ternauwernood wie je bent, wie ben jij eigenlijk? Het klonk in het diepste van mijn oor. Wie ben ik eigenlijk?”

Het motto van de roman is II Samuël 18 vers 33. David verneemt daar het nieuws dat zijn zoon, die de macht wilde grijpen, dood is. ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik in uw plaats gestorven ware, Absalom mijn zoon, mijn zoon.’ Nu heet de zoon in de roman van Brouwers niet Absalom maar Nathan. Een bijbeltekst die tamelijk dicht in de buurt staat in ditzelfde boek Samuël zou misschien ook passend zijn geweest: ‘Gij zijt die man.’ Dat is boodschap van de profeet Nathan aan David, die overspel gepleegd had met Bathseba (II Sam. 12 vers 7). Zoon Nathan beschuldigt zijn vader van harteloosheid; net als David ging de vader vreemd.

Lees evt. ‘Schuldbesef in de letteren’, Tjerk de Reus, in: Festus nov 2010 (zie www.tjerkdereus.nl onder essays)

 

5. Ritueel, symbool, traditie

Oek de Jong, Pier en oceaan, (2012)

Abel en Digna zijn beiden geraakt door de madonna, die ze te zien krijgen in een in de rotsen uitgehouwen kapel, vlakbij zee. Abel ‘staarde naar de madonna boven de kaarsenzee. Het was een houten beeld dat was aangekleed, een beetje kinderlijk en protserig, maar ook aandoenlijk.’ Hij wordt loom, zou het liefst in een diepe slaap vallen, ‘weg uit de boze droom waarin ze terecht waren gekomen.’ (795)

Op een zeker moment schuifelt een vrouw op haar knieën naar voren, als boetedoening voor de Moeder Gods. Het gebeuren raakt Digna. Abel ‘probeerde te begrijpen waarom de vrouw dit deed. Het was voor hem iets uit een andere tijd, uit oude verhalen. Maar het bestond dus nog.

Hij stelde zich voor dat hij zelf op zijn knieën over de hobbelige rotsbodem voort schuifelde naar die brandende kaarsen en de madonna, met Digna naast zich, haar hand op zijn schouder. Zou het werken? Zou alles een uur later, buiten deze heilige plek, niet weer precies zo zijn als voorheen?’

Lees evt. ‘Hier kon een engel verschijnen’. Elementaire spiritualiteit in Pier en Oceaan’, Tjerk de Reus; in: Johan Goud (ed.), Het leven volgens Oek de Jong. Terug naar een naaktheid, 2014.