Categorie Teruglezen

Bijbelse profetie en zondagse preek. Mag God wel “ik” zeggen?

 

(bijdrage prof. dr. Eep Talstra aan het Preekfestival, Amersfoort)

 

Een preekfestival houden en daarin aandacht vragen voor het profetische in prediking en kerk. Past dat wel bij elkaar? Bijten de profeet en de dominee elkaar niet?

Om daar wat kijk op te krijgen is het goed om de diverse rollen die profeten in de bijbel spelen, langs te lopen. Niet als academische vingeroefening, maar om de verwantschap met onze moderne discussies zichtbaar te maken.

1. OT profeten zijn spelbrekers, klokkenluiders.

Kort samengevat: God houdt niet zo van religieuze festivals.

Amos 5:21: “Ik haat, ik verwerp jullie uw feesten, Jullie bijeenkomsten, ik verdraag de geur niet. Bespaar mij de herrie van jullie liederen,” etc.

Jesaja 1:11 - 14; “Als jullie voor mij verschijnen … Wie heeft dat jullie dat eigenlijk opgedragen om mijn heilige ruimtes plat te lopen?”

OT profeten zijn altijd dwars en buitengewoon kritisch op menselijke religie, of we dat nu leuk vinden of niet. Hun taak is bekend: een kritische stem laten klinken, tegen de maatschappij van geld en vermaak, vluchtelingen, rijkdom – armoede. Ook tegen de maatschappij van verspilling en schuldgevoel, vliegschaamte en CO2 productie: drugsafval in de Brabantse natuur.

Hebben profeten een ‘ambt’? Of zijn ze ‘eenling’, tegen wil en dank sprekend, tegen allerlei ‘vanzelfsprekende’ machtsverhoudingen en ook tegen het ongemakkelijke verbond tussen religie en machthebbers? Zijn ze dan wel een inspirerend model voor het werk van de predikant?

Toch moeten we wel bij deze eerste rol van de profeet beginnen, vooral ook nu in onze maatschappij zo hoopvol wordt beweerd dat religie terug is en dat wij mensen zo ongeneeslijk religieus zijn. Hoera, klandizie!

Profeten zoals Amos zouden zeggen: dat religieuze, het is waar, maar het helpt niet, want zo’n bewering is ook romantische flauwekul. Mensen zijn vooral ongeneeslijk dubbelzinnig: utopische denkers, dromers, technisch tot alles in staat èn langs die weg ook een bedreiging voor de schepping van God. Religie met de neiging tot dromen en utopieën: dat is een deel van het probleem van mens, maatschappij of schepping, niet de oplossing ervan.

Waarom zijn profeten spelbrekers en klokkenluiders?

Niet op grond van moraal en goede bedoelingen, maar op grond van God die “ik” zegt. Hij zegt “ik” in de context van de menselijke ervaring: de gemeenschappelijke geschiedenis van de kinderen van Abraham, Izaäk en Jakob met God.

Exodus 20 is helder.

“Ik ben JHWH, je God, die je uit Egypte heeft bevrijd, uit de slavernij.”

Daarna volgen de tien instructies. In de serie interviews rond “de 10 geboden” in Trouw staat dat begin er nooit bij. Dat is karakteristiek voor het moderne tijdloze denken over religie, en heeft voor geloven een dodelijk effect. “De 10 geboden” gaat zo alleen over contextvrij moralisme en of dat in iemands eigen leven nog een beetje is gelukt. Ook boeiend en nuttig, maar er worden zo wel twee soorten “ik” door elkaar gehaald.

* Dus voor kerk en predikant is de vraag: geven wij tijdloze lessen over verbetering van de mensheid, waarbij God zijn mond wel kan blijven houden? Heeft God in onze gestroomlijnde liturgische evenementen ooit wel eens de kans om “Ik” te zeggen?

2. Profeten zijn spelbrekers, maar de rol van een profeet is niet: gelijkhebber. Dat komt omdat de profeet niet zelf “ik” zegt, maar het “ik” van God citeert. De leuke paradox is dat je dan zelf geen officiële profeet hoeft te zijn. Het “ik” van God vergt geen speciaal ambt.

Amos 7:14: “Ik ben geen profeet; ik ben boer en ik kweek moerbei-vijgen. En van JHWH moet ik tegen jullie profeteren.”

Amos 1 en 2 zijn helder: als Israël een bijzondere positie heeft, dan is dat omdat JHWH gewoon ergens is begonnen met zijn eigen nieuwe geschiedenis. Maar God is bij niemand in dienst; hij is ook de God van alle volken en heeft een mening over Damascus, over Tyrus, etc., hij gaat zijn eigen gang. Er is wel een aparte geschiedenis van God met Israël, maar er zijn geen exclusieve rechten voor Israël. Amos 3:2.

Omdat God als “ik” zelf over zijn geschiedenis met Israël spreekt, is een profeet niet een soort doemdenker die buiten Israël, buiten de gemeente staat. Of een boze burger die dringend een rekening moet vereffenen met ‘de elite’. Droeg Amos een geel hesje?

Hij adresseert mede zichzelf, is zelf ook een deel van de aangesproken gemeente, lezer, erfgenaam. Dat is de schrik van de profeet Jesaja, als hij in Jesaja 6 de serafs de heiligheid van JHWH hoort bezingen.

Jesaja 6:5 ‘Ach nee, dit overleef ik niet! ik ben een deel van een zondig volk.’ Misschien iets voor onze Praise-diensten? Of voor verkondigers die graag de kritische profeet spelen, en dan zelf alvast aan de goede kant staan?

De profeet als iemand zonder speciale positie, die met het “ik” van JHWH ook zichzelf aanspreekt. Dat staat tegenover het huidige verlangen naar identiteit: als ik gelijk heb, dan ben jij verkeerd. En ik héb gelijk, dus …

Dat was de schrik van de profeet Jona. Hij zit eerste rang om te zien hoe Nineve zal ondergaan: profetie moet immers gebeuren; het oordeel moet voltrokken worden.

Nee dus. God is niet in dienst te nemen van boosheid en partijdigheid. Niet omdat de Almachtige uiteindelijk toch een vriendelijk, mindfulness type is, maar wel altijd een simpele vraag stelt: Kan het leven ook doorgaan? Ook dan klinkt weer het ‘ik’:

Ezechiël 18: 23 ‘Zou “ik” plezier beleven aan de dood van de boosdoener?’

* Dus voor kerk en predikant is de vraag: Zegt God “ik” om altijd gelijk te hebben of om schepper te blijven; het leven te laten voortbestaan? Jona 4:11 ‘Zou Ik dan Nineve niet sparen – al die mensen en dieren?’

3. In gevecht met God. Als een profeet deel is van zijn eigen gemeente en dan ook zichzelf aangesproken ziet door het “ik” van God, krijgt hij/zij ook nog een andere rol. Dat wordt helder bij Mozes. Een profeet is geen kritische buitenstaander, geen visitatiecommissie, niet het betere deel van de gemeente. Daar is hij heel duidelijk in tegenover JHWH, na de acties van religieuze heimwee met het gouden kalf, Exodus 32 en 33. Als God ziet hoe ongeneeslijk religieus mensen zijn, neemt hij afstand (Ex.33): ‘Ik ga niet meer mee met jullie. Mozes, ik maak van jou wel een groot volk.’ Mozes spreekt God tegen: ‘Ik ben deel van dit volk. Ik ben niet los leverbaar. “Ik en uw volk”, zegt hij. Dat is een ongrammaticaal 1 soort Hebreeuws, maar wel heel duidelijk. Dit is niet mijn volk, maar dat van U. En wij samen hebben uw barmhartigheid nodig!

Zo raken profeten namens de gemeente ook in gevecht met God. Bij hun taak hoort daarom de rol van voorbede doen. Dat doet Amos in 7:2, Samuël doet het in 1 Samuël 12, Mozes doet het in Exodus 34 en Numeri 14, etc.

Na scherpe profetie, zoals in Jesaja 1: ‘ik verdraag jullie feesten niet’, klinkt de voorbede en zelfs weer het “ik” van God (onderdeel van ‘wij’) in een rechtszaak over het onrecht, Jes. 1:18-19: ‘Al waren jullie zonden als scharlaken, rood als karmozijn …’. In de klassieke liturgie werden wel deze verzen geselecteerd, maar niet die over Gods afkeer van religieus ritueel. Prettig, maar riskant.

Dan is het goed om te bedenken dat zelfs de profetische taak van voorbede een keer ophoudt. Er is geen vast protocol waarmee mensen Gods aandacht kunnen opeisen. JHWH zegt herhaaldelijk tegen de profeet Jeremia (7:16, 11:14 14:12), dat hij geen voorbede moet doen: stoppen! Zou dat God soms in verlegenheid brengen? En dat gaat ver: ook de klassieke voorbidders hebben geen invloed meer, blijkens Jeremia 15:1. ‘Zelfs al stonden Mozes en Samuël voor mij, ik zal niet luisteren!’

1 Standaard is de congruentie: “ik en mijn volk”, “jij en jouw volk”, etc

Hier volgt de echte spanning. God laat zich niet theologisch of priesterlijk incalculeren, zodat alles toch altijd weer goed afloopt. Religie ‘werkt’ niet. Maar tegelijk: de schepper geeft niet op. In Jeremia loopt dat uit op serieuze teksten over de vraag hoe mensen dan eindelijk eens God kunnen verstaan en kennen (Jeremia 31). Je ziet God er mee vechten. In Amos 4:11 klinkt de profetische stem: ‘Ik heb jullie hard geraakt – jullie zijn geworden als stuk brandhout uit het vuur gerukt.

In Zacharia 3:2 zegt God dat opnieuw, tegenover de aanklager, de Satan: ‘De priester Jozua lijkt op brandhout, uit het vuur gerukt. Dat gaan we nu veranderen, nieuw maken, heelmaken. Ik trek je nieuwe feestkleren aan.’

Dat is een onberedeneerde wending, net als in Zacharia 1. JHWH is niet van plan om Israël en zijn schepping op te geven. Zelfs de klassieke spelers in het conflict zijn uitgespeeld, zegt hij in Zacharia 1: ‘waar zijn jullie vaders/ouders? Profeten, leven zij eeuwig?’ Nee dus; einde oude verhoudingen. Zacharia 8 begint plompverloren met ‘Ik houd nu eenmaal van Sion … , etc.’

Profetenteksten zijn hard, maar flexibel. Ze worden steeds opnieuw gebruikt, of ze worden zelfs omgedraaid (Jer.6:22-23 = 50: 41-42; Jesaja 2 <> Joël 3:9 [Hebreeuws 4:9]), omdat de geschiedenis verder gaat, met pijn, met schuld en met hoop.

* Dus voor kerk en predikant is de vraag: Hebben we genoeg kritiek en vertrouwen om de profetische teksten met Gods “ik” opnieuw te laten klinken? En in een zinvolle context?

4. Daarom is bijbelse profetie kritisch op liturgie. God is niet: een boodschap tussen de andere op de markt van meningen. Hij is zelf partij in het geding, een “ik”. De echte vraag is niet: hoe krijgen we de mensheid een wat braver en netter en kan de religie ons daarbij een beetje assisteren? Maar: gaat de schepper zijn schepping overleven? Houdt God het vol met ons? Daardoor werd de rol van de profeten ook steeds anders. Ze spreken niet namens zichtzelf, ook niet namens hoogstaande gedachten, maar citeerden het “ik” van JHWH, de geschiedenis door.

De protestantse traditie heeft op dit moment een groot probleem met de bijbel en zoekt haar heil in heel klassiek verantwoorde, of juist in heel gezellige vormen van liturgie. Dat is ook zichtbaar in het programma van het Preekfestival. Er is veel aandacht voor stilte, spiritualiteit, monastieke tradities, terug naar de catholica, leesroosters, etc. Maar niets over bijbel of bijbeluitleg zelf. Is men nu zo bang voor bijbelwetenschap geworden? Of voor het profetische “ik” van God?

Mijn indruk is dat theologie en kerk op dit moment op een retourvlucht zitten naar de Middeleeuwen of zelfs de patres en de oude kerk. Het probleem zit niet in de kritische rol van die oude tradities in hun eigen tijd, maar in die retourvlucht. De intellectuele krachtmeting met de moderniteit lijkt verloren, de poging om met moralistische agenda’s nog iets te redden, heeft ook niet gewerkt, dus laten we God zoeken in de vroege kerk, in de beleving van schoonheid, of heel mystiek ergens tussen de eigen oren. Zo wordt Gods “ik” op spirituele gronden in de liturgie tot zwijgen gebracht. Zie de tekst van het afsluitende vesper van vandaag: het enige “ik” dat daar klinkt is mijn eigen “ik” dat een helper zoekt. Van degenen die een ongemakkelijke herinnering hebben aan een strenge leer van een onbeweeglijke kerk, kan ik dat begrijpen. ‘Ik geloof wel, maar niet dogmatisch hoor!’, is de nieuwe mantra. Het zij zo. Maar de retourvlucht maakt ons wel tot toeristen, verdwaald in onze eigen tijd,

Bijvoorbeeld, de claim, verwoord door Plaisier en anderen, dat de prediking ‘tussen de sacramenten in’ moet plaatsvinden, omdat moderne mensen willen beleven, niet meer lezen en niet meer lang kunnen luisteren, is ook vluchtgedrag: terug naar de Middeleeuwen, toen de moderne bijbelwetenschap nog niet bestond. Het is struisvogelpolitiek, die doet alsof de Reformatie nooit heeft plaatsgevonden en we niets weten van de geschiedenis van, in en achter de teksten. Het lijkt me dat de theologische ordening omgekeerd moet zijn: sacramenten hebben hun plaats tussen de lezingen en de prediking. Zonder verhaal, ervaring van generaties en besef van geschiedenis wordt het sacrament, de meditatie, de stiltewandeling, of wat dan ook, een dagje Efteling en de kerk een poging tot Disneyland, maar geen verkondiging en geen begin van een nieuw bestaan.

Beleving kiest voor het hier en nu en laat geen ruimte aan de mooie en harde hoofdstukken van Gods lange biografie met ons.

* Dus voor kerk en predikant is de vraag: kan liturgie als genre wat minder eenzijdig worden? Wat minder therapeutisch? Naast ‘mijn’ gebed, lofzang of vraag, mag God toch ook nog wel eens zelf iets zeggen, of profetisch geciteerd worden? Of is er dan angst om voor fundamentalistisch versleten te worden? Maar toch: kan de predikant niet wat meer de vertolker worden van Gods “ik”, zoals dat klinkt in psalmen en profeten? “Ik erger mij; ik zocht jullie, ik sta er alleen voor; ik maak mij kwaad; ik beleef pijn aan jullie, ik schep, ik vergeef, ik red”, en nog veel meer.

Eep Talstra, 17 en 23 september 2019